< السورة السابقة | فهرس السور | السورة التالية >



حدد حجم خط الآيات
()


بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ وَٱلَّيْلِ إِذَا يَغْشَىٰ ۝١

Ik zweer bij den nacht, als die alle dingen met duisternis bedekt.

وَٱلنَّهَارِ إِذَا تَجَلَّىٰ ۝٢

Bij den dag als die met glans schittert;

وَمَا خَلَقَ ٱلذَّكَرَ وَٱلْأُنثَىٰٓ ۝۳

Bij Hem, die het mannelijke en het vrouwelijke schepsel heeft geschapen.

إِنَّ سَعْيَكُمْ لَشَتَّىٰ ۝٤

Waarlijk, uwe pogingen hebben verschillende doeleinden.

فَأَمَّا مَنْ أَعْطَىٰ وَٱتَّقَىٰ ۝٥

Maar hem, die gehoorzaam is en God vreest,

وَصَدَّقَ بِٱلْحُسْنَىٰ ۝٦

En de waarheid van het geloof belijdt, dat het uitnemendst is.

فَسَنُيَسِّرُهُۥ لِلْيُسْرَىٰ ۝۷

Dien zullen wij den weg des geluks gemakkelijk maken.

وَأَمَّا مَنۢ بَخِلَ وَٱسْتَغْنَىٰ ۝۸

Maar hem, die gierig zal wezen, en zich om niets dan deze wereld bekommert,

وَكَذَّبَ بِٱلْحُسْنَىٰ ۝۹

En de waarheid zal loochenen van datgene, wat het uitnemendst is.

فَسَنُيَسِّرُهُۥ لِلْعُسْرَىٰ ۝١۰

Dien zulle wij den weg tot de ellende vergemakkelijken.

وَمَا يُغْنِى عَنْهُ مَالُهُۥٓ إِذَا تَرَدَّىٰٓ ۝١١

En zijne rijkdommen zullen hem niet baten, als hij, het onderst boven, in de hel zal vallen.

إِنَّ عَلَيْنَا لَلْهُدَىٰ ۝١٢

Waarlijk, ons behoort de leiding van den mensch.

وَإِنَّ لَنَا لَلْءَاخِرَةَ وَٱلْأُولَىٰ ۝١۳

Ons is het tegenwoordige en het volgende leven.

فَأَنذَرْتُكُمْ نَارًۭا تَلَظَّىٰ ۝١٤

Daarom bedreig ik u met het vreeselijk brandend vuur.

لَا يَصْلَىٰهَآ إِلَّا ٱلْأَشْقَى ۝١٥

Waarin niemand zal worden geworpen om verbrand te worden, behalve de meest verdorvenen.

ٱلَّذِى كَذَّبَ وَتَوَلَّىٰ ۝١٦

Die niet geloofd en zich afgewend zullen hebben.

وَسَيُجَنَّبُهَا ٱلْأَتْقَى ۝١۷

Maar hij die zich gestreng (voor afgoderij en weêrspannigheid) in acht neemt, dien zullen wij ver van daar voeren:

ٱلَّذِى يُؤْتِى مَالَهُۥ يَتَزَكَّىٰ ۝١۸

Die zijn vermogen aan aalmoezen besteedt, om zich meer te zuiveren,

وَمَا لِأَحَدٍ عِندَهُۥ مِن نِّعْمَةٍۢ تُجْزَىٰٓ ۝١۹

En niet opdat hem zijne weldaden zullen worden beloond.

إِلَّا ٱبْتِغَآءَ وَجْهِ رَبِّهِ ٱلْأَعْلَىٰ ۝٢۰

Maar die zijn vermogen voor de zaak van zijn Heer, den Verhevenste besteedt.

وَلَسَوْفَ يَرْضَىٰ ۝٢١

En hierna zal hij gewis voldaan zijn met zijne belooning.