< السورة السابقة | فهرس السور | السورة التالية >



حدد حجم خط الآيات
()


بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ وَٱلْفَجْرِ ۝١

Ik zweer bij het aanbreken van den dag

وَلَيَالٍ عَشْرٍۢ ۝٢

En de tien nachten;

وَٱلشَّفْعِ وَٱلْوَتْرِ ۝۳

Bij datgene wat dubbel, en dat wat enkel is,

وَٱلَّيْلِ إِذَا يَسْرِ ۝٤

Bij den nacht als die aanbreekt.

هَلْ فِى ذَٰلِكَ قَسَمٌۭ لِّذِى حِجْرٍ ۝٥

Is dit niet een begrijpelijk samengestelde eed?

أَلَمْ تَرَ كَيْفَ فَعَلَ رَبُّكَ بِعَادٍ ۝٦

Hebt gij niet overwogen, hoe uw Heer met Ad heeft gehandeld.

إِرَمَ ذَاتِ ٱلْعِمَادِ ۝۷

Het volk van Irem, versierd met schoone gebouwen,

ٱلَّتِى لَمْ يُخْلَقْ مِثْلُهَا فِى ٱلْبِلَٰدِ ۝۸

Waarvan de wedergade nog niet in het land werd opgericht?

وَثَمُودَ ٱلَّذِينَ جَابُوا۟ ٱلصَّخْرَ بِٱلْوَادِ ۝۹

En met Thamoed, die in de rotsen der vallei huizen uithieuw.

وَفِرْعَوْنَ ذِى ٱلْأَوْتَادِ ۝١۰

En met Pharao, den uitvinder van de straf der staken.

ٱلَّذِينَ طَغَوْا۟ فِى ٱلْبِلَٰدِ ۝١١

Die zich onbeschaamd hadden gedragen.

فَأَكْثَرُوا۟ فِيهَا ٱلْفَسَادَ ۝١٢

En het verderf op de aarde vermeerderden?

فَصَبَّ عَلَيْهِمْ رَبُّكَ سَوْطَ عَذَابٍ ۝١۳

Daarom stortte de Heer verschillende soorten van kastijdingen over hen uit;

إِنَّ رَبَّكَ لَبِٱلْمِرْصَادِ ۝١٤

Want, waarlijk, uw Heer is op een wachttoren, als hij de daden der menschen beschouwt.

فَأَمَّا ٱلْإِنسَٰنُ إِذَا مَا ٱبْتَلَىٰهُ رَبُّهُۥ فَأَكْرَمَهُۥ وَنَعَّمَهُۥ فَيَقُولُ رَبِّىٓ أَكْرَمَنِ ۝١٥

Daarom als zijn Heer hem (door voorspoed) beproeft, en hem eert en goed voor hem is. Zegt de mensch: Mijn Heer eert mij.

وَأَمَّآ إِذَا مَا ٱبْتَلَىٰهُ فَقَدَرَ عَلَيْهِ رِزْقَهُۥ فَيَقُولُ رَبِّىٓ أَهَٰنَنِ ۝١٦

Maar als hij hem met rampen bezoekt, en hem zijne weldaden terughoudt, Zegt hij: Mijn Heer versmaadt mij.

كَلَّا ۖ بَل لَّا تُكْرِمُونَ ٱلْيَتِيمَ ۝١۷

Volstrekt niet, maar gij eert den wees niet.

وَلَا تَحَٰٓضُّونَ عَلَىٰ طَعَامِ ٱلْمِسْكِينِ ۝١۸

Noch noodigt gij elkander uit, den arme te voeden.

وَتَأْكُلُونَ ٱلتُّرَاثَ أَكْلًۭا لَّمًّۭا ۝١۹

Gij verzwelgt de erfenis der zwakken met eene blinde begeerigheid.

وَتُحِبُّونَ ٱلْمَالَ حُبًّۭا جَمًّۭا ۝٢۰

En gij bemint de rijkdommen op onbegrensde wijze. (Gij zult volstrekt niet zoo handelen).

كَلَّآ إِذَا دُكَّتِ ٱلْأَرْضُ دَكًّۭا دَكًّۭا ۝٢١

Als de aarde tot stof zal vermorzeld worden;

وَجَآءَ رَبُّكَ وَٱلْمَلَكُ صَفًّۭا صَفًّۭا ۝٢٢

Als uw Heer zal komen, en de engelen in gelederen geschaard zullen zijn;

وَجِا۟ىٓءَ يَوْمَئِذٍۭ بِجَهَنَّمَ ۚ يَوْمَئِذٍۢ يَتَذَكَّرُ ٱلْإِنسَٰنُ وَأَنَّىٰ لَهُ ٱلذِّكْرَىٰ ۝٢۳

Als de hel op dien dag naderbij gebracht zal worden: op dien dag zal de mensch zich zijne slechte daden herinneren; maar hoe zou die herinnering hem kunnen baten?

يَقُولُ يَٰلَيْتَنِى قَدَّمْتُ لِحَيَاتِى ۝٢٤

Hij zal zeggen: Gave God, dat ik vroeger gedurende mijn leeftijd goede daden had verricht!

فَيَوْمَئِذٍۢ لَّا يُعَذِّبُ عَذَابَهُۥٓ أَحَدٌۭ ۝٢٥

Op dien dag zal niemand zooals God kunnen straffen.

وَلَا يُوثِقُ وَثَاقَهُۥٓ أَحَدٌۭ ۝٢٦

Noch iemand in staat zijn te binden zoo als God.

يَٰٓأَيَّتُهَا ٱلنَّفْسُ ٱلْمُطْمَئِنَّةُ ۝٢۷

O gij, ziel die rust!

ٱرْجِعِىٓ إِلَىٰ رَبِّكِ رَاضِيَةًۭ مَّرْضِيَّةًۭ ۝٢۸

Keer, voldaan met uwe belooning, en voldaan met God, tot uwen Heer terug.

فَٱدْخُلِى فِى عِبَٰدِى ۝٢۹

Treed bij het aantal mijner dienaren binnen.

وَٱدْخُلِى جَنَّتِى ۝۳۰

En betreed mijn paradijs.