< السورة السابقة | فهرس السور | السورة التالية >



حدد حجم خط الآيات
()


بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ وَٱلْمُرْسَلَٰتِ عُرْفًۭا ۝١

Ik zweer bij de engelen die door God gezonden zijn, en elkander in eene aanhoudende reeks opvolgen.

فَٱلْعَٰصِفَٰتِ عَصْفًۭا ۝٢

Bij hen die zich snel bewegen met eene snelle beweging;

وَٱلنَّٰشِرَٰتِ نَشْرًۭا ۝۳

En bij hen die zijne bevelen verspreiden. Door die op aarde bekend te maken,

فَٱلْفَٰرِقَٰتِ فَرْقًۭا ۝٤

En bij hen die waarheid van leugen afscheiden, door die te erkennen.

فَٱلْمُلْقِيَٰتِ ذِكْرًا ۝٥

En bij hen die de goddelijke vermaning mededeelen.

عُذْرًا أَوْ نُذْرًا ۝٦

Ter verontschuldiging of bedreiging.

إِنَّمَا تُوعَدُونَ لَوَٰقِعٌۭ ۝۷

Waarlijk, wat wij beloofd hebben, is onvermijdelijk.

فَإِذَا ٱلنُّجُومُ طُمِسَتْ ۝۸

Als de sterren zullen worden uitgedoofd.

وَإِذَا ٱلسَّمَآءُ فُرِجَتْ ۝۹

En de hemel gespleten,

وَإِذَا ٱلْجِبَالُ نُسِفَتْ ۝١۰

Als de bergen zullen uiteenstuiven.

وَإِذَا ٱلرُّسُلُ أُقِّتَتْ ۝١١

En als den gezanten een tijdstip zal zijn aangewezen, om te verschijnen en getuigenis tegen hun eigen volk af te leggen.

لِأَىِّ يَوْمٍ أُجِّلَتْ ۝١٢

Tot op welken dag zal men het einde uitstellen?

لِيَوْمِ ٱلْفَصْلِ ۝١۳

Tot den dag der scheiding.

وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا يَوْمُ ٱلْفَصْلِ ۝١٤

En wat zal u doen begrijpen, wat de dag der scheiding is?

وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ ۝١٥

Op dien dag, wee over hem, die de profeten van bedrog beschuldigde!

أَلَمْ نُهْلِكِ ٱلْأَوَّلِينَ ۝١٦

Hebben wij niet de vroegere, hardnekkige ongeloovigen verdelgd?

ثُمَّ نُتْبِعُهُمُ ٱلْءَاخِرِينَ ۝١۷

Wij zullen ook die van latere tijden hen doen volgen.

كَذَٰلِكَ نَفْعَلُ بِٱلْمُجْرِمِينَ ۝١۸

Zoo handelen wij met de snoodaards.

وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ ۝١۹

Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd!

أَلَمْ نَخْلُقكُّم مِّن مَّآءٍۢ مَّهِينٍۢ ۝٢۰

Hebben wij u niet van een nietigen droppel zaad geschapen.

فَجَعَلْنَٰهُ فِى قَرَارٍۢ مَّكِينٍ ۝٢١

Dien wij in eene zekere bewaarplaats stelden.

إِلَىٰ قَدَرٍۢ مَّعْلُومٍۢ ۝٢٢

Tot de bepaalde tijd der verlossing was gekomen?

فَقَدَرْنَا فَنِعْمَ ٱلْقَٰدِرُونَ ۝٢۳

En wij waren in staat dit te doen; want wij zijn machtig.

وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ ۝٢٤

Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd!

أَلَمْ نَجْعَلِ ٱلْأَرْضَ كِفَاتًا ۝٢٥

Hebben wij de aarde niet zóó gemaakt, dat zij bevat

أَحْيَآءًۭ وَأَمْوَٰتًۭا ۝٢٦

De levenden en de dooden?

وَجَعَلْنَا فِيهَا رَوَٰسِىَ شَٰمِخَٰتٍۢ وَأَسْقَيْنَٰكُم مَّآءًۭ فُرَاتًۭا ۝٢۷

En hebben wij daarop geene vaste, verhevene bergen geplaatst en u zuiver water te drinken gegeven?

وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ ۝٢۸

Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd!

ٱنطَلِقُوٓا۟ إِلَىٰ مَا كُنتُم بِهِۦ تُكَذِّبُونَ ۝٢۹

Men zal tot hen zeggen: Gaat ter straf, welke gij als eene valschheid hebt geloochend.

ٱنطَلِقُوٓا۟ إِلَىٰ ظِلٍّۢ ذِى ثَلَٰثِ شُعَبٍۢ ۝۳۰

Gaat in de schaduw van den rook der hel, welke in drie kolommen zal opstijgen.

لَّا ظَلِيلٍۢ وَلَا يُغْنِى مِنَ ٱللَّهَبِ ۝۳١

En die u noch voor de hitte beveiligen, noch tegen de vlam van dienst wezen zal.

إِنَّهَا تَرْمِى بِشَرَرٍۢ كَٱلْقَصْرِ ۝۳٢

Maar hij zal vonken, zoo groot als torens, uitwerpen.

كَأَنَّهُۥ جِمَٰلَتٌۭ صُفْرٌۭ ۝۳۳

Gelijkende in hare kleur op gele kemels,

وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ ۝۳٤

Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd!

هَٰذَا يَوْمُ لَا يَنطِقُونَ ۝۳٥

Dit zal een dag wezen, waarop de schuldigen sprakeloos zullen zijn.

وَلَا يُؤْذَنُ لَهُمْ فَيَعْتَذِرُونَ ۝۳٦

En het zal hun niet geoorloofd worden, zich te verontschuldigen.

وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ ۝۳۷

Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd!

هَٰذَا يَوْمُ ٱلْفَصْلِ ۖ جَمَعْنَٰكُمْ وَٱلْأَوَّلِينَ ۝۳۸

Dit zal de dag der scheiding wezen, waarop wij zoowel u, als uwe voorgangers zullen verzamelen.

فَإِن كَانَ لَكُمْ كَيْدٌۭ فَكِيدُونِ ۝۳۹

Indien gij dus eene doordachte list bezit, gebruikt die dan tegen mij.

وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ ۝٤۰

Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd!

إِنَّ ٱلْمُتَّقِينَ فِى ظِلَٰلٍۢ وَعُيُونٍۢ ۝٤١

Maar de vrome zal te midden van schaduwen en fonteinen wonen.

وَفَوَٰكِهَ مِمَّا يَشْتَهُونَ ۝٤٢

En te midden van vruchten van allerlei soort, welke zij zullen begeeren.

كُلُوا۟ وَٱشْرَبُوا۟ هَنِيٓـًٔۢا بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ ۝٤۳

En men zal tot hen zeggen: Eet en drinkt met goede spijsvertering, ter belooning voor hetgeen gij zult hebben verricht.

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ ۝٤٤

Want zoo beloonen wij de rechtvaardigen.

وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ ۝٤٥

Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd!

كُلُوا۟ وَتَمَتَّعُوا۟ قَلِيلًا إِنَّكُم مُّجْرِمُونَ ۝٤٦

Eet, o ongeloovigen? en geniet de genoegens van dit leven voor een korten tijd. Waarlijk, gij zijt zondaren.

وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ ۝٤۷

Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd!

وَإِذَا قِيلَ لَهُمُ ٱرْكَعُوا۟ لَا يَرْكَعُونَ ۝٤۸

En als hun gezegd wordt: Buigt u neder, dan buigen zij niet neder.

وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ ۝٤۹

Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd!

فَبِأَىِّ حَدِيثٍۭ بَعْدَهُۥ يُؤْمِنُونَ ۝٥۰

In welke nieuwe openbaring, zullen zij na deze gelooven?