< السورة السابقة | فهرس السور | السورة التالية >



حدد حجم خط الآيات
()


بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ سَأَلَ سَآئِلٌۢ بِعَذَابٍۢ وَاقِعٍۢ ۝١

Iemand vraagt en roept om wraak.

لِّلْكَٰفِرِينَ لَيْسَ لَهُۥ دَافِعٌۭ ۝٢

Over de ongeloovigen. Er zal niemand wezen, die verhinderen kan.

مِّنَ ٱللَّهِ ذِى ٱلْمَعَارِجِ ۝۳

Dat God hen bedroeven, de meester der trappen.

تَعْرُجُ ٱلْمَلَٰٓئِكَةُ وَٱلرُّوحُ إِلَيْهِ فِى يَوْمٍۢ كَانَ مِقْدَارُهُۥ خَمْسِينَ أَلْفَ سَنَةٍۢ ۝٤

Langs welke de engelen tot hem opstijgen in een dag, wiens uitgebreidheid vijftig duizend jaren bedraagt.

فَٱصْبِرْ صَبْرًۭا جَمِيلًا ۝٥

Daarom, verdraagt de beleedigingen van de bewoners van Mekka met lofwaardig geduld.

إِنَّهُمْ يَرَوْنَهُۥ بَعِيدًۭا ۝٦

Want zij (de ongeloovigen) zien hunne straf ver verwijderd.

وَنَرَىٰهُ قَرِيبًۭا ۝۷

Maar wij zien die nabij.

يَوْمَ تَكُونُ ٱلسَّمَآءُ كَٱلْمُهْلِ ۝۸

Op een zekeren dag zal de hemel als gesmolten koper worden.

وَتَكُونُ ٱلْجِبَالُ كَٱلْعِهْنِ ۝۹

En de bergen gelijk wol van verschillende kleuren, door den wind uiteengedreven.

وَلَا يَسْـَٔلُ حَمِيمٌ حَمِيمًۭا ۝١۰

En een vriend zal den ander niet naar zijn toestand vragen

يُبَصَّرُونَهُمْ ۚ يَوَدُّ ٱلْمُجْرِمُ لَوْ يَفْتَدِى مِنْ عَذَابِ يَوْمِئِذٍۭ بِبَنِيهِ ۝١١

Hoewel zij elkander zien. De zondaar zal trachten, zich van de straf van dien dag los te koopen, door zijne kinderen op te offeren

وَصَٰحِبَتِهِۦ وَأَخِيهِ ۝١٢

En zijne vrouw en zijn broeder.

وَفَصِيلَتِهِ ٱلَّتِى تُـْٔوِيهِ ۝١۳

En zijne bloedverwanten die hem vriendschap bewezen;

وَمَن فِى ٱلْأَرْضِ جَمِيعًۭا ثُمَّ يُنجِيهِ ۝١٤

En allen die op aarde zijn. Hij zal begeeren daardoor gered te worden.

كَلَّآ ۖ إِنَّهَا لَظَىٰ ۝١٥

Maar in geenen deele; want het hellevuur,

نَزَّاعَةًۭ لِّلشَّوَىٰ ۝١٦

Dat hen bij de schedels zal grijpen,

تَدْعُوا۟ مَنْ أَدْبَرَ وَتَوَلَّىٰ ۝١۷

Zal iederen persoon opeischen, die zijn rug zal hebben toegewend, en het geloof ontvlucht is.

وَجَمَعَ فَأَوْعَىٰٓ ۝١۸

En die rijkdommen verzameld heeft, en deze gierig ophoopt.

۞ إِنَّ ٱلْإِنسَٰنَ خُلِقَ هَلُوعًا ۝١۹

Waarlijk, de mensch is zeer begeerig geschapen.

إِذَا مَسَّهُ ٱلشَّرُّ جَزُوعًۭا ۝٢۰

Als het kwaad hem treft, is hij ternedergeslagen.

وَإِذَا مَسَّهُ ٱلْخَيْرُ مَنُوعًا ۝٢١

Maar als het goede hem toevloeit, word hij karig.

إِلَّا ٱلْمُصَلِّينَ ۝٢٢

Zoo bestaan niet degenen die godvruchtig zijn.

ٱلَّذِينَ هُمْ عَلَىٰ صَلَاتِهِمْ دَآئِمُونَ ۝٢۳

Die in hunne gebeden volharden.

وَٱلَّذِينَ فِىٓ أَمْوَٰلِهِمْ حَقٌّۭ مَّعْلُومٌۭ ۝٢٤

En zij, die gereed zijn, een zeker voegzaam deel van hunne bezittingen te geven.

لِّلسَّآئِلِ وَٱلْمَحْرُومِ ۝٢٥

Aan hem die vraagt, en aan hem, die door schaamte teruggehouden wordt te vragen.

وَٱلَّذِينَ يُصَدِّقُونَ بِيَوْمِ ٱلدِّينِ ۝٢٦

Zij, die oprecht in den dag des oordeels gelooven,

وَٱلَّذِينَ هُم مِّنْ عَذَابِ رَبِّهِم مُّشْفِقُونَ ۝٢۷

En de straf van hunnen Heer vreezen

إِنَّ عَذَابَ رَبِّهِمْ غَيْرُ مَأْمُونٍۢ ۝٢۸

(Want niemand is beveiligd tegen de straf van zijnen Heer).

وَٱلَّذِينَ هُمْ لِفُرُوجِهِمْ حَٰفِظُونَ ۝٢۹

Die ingetogen leven.

إِلَّا عَلَىٰٓ أَزْوَٰجِهِمْ أَوْ مَا مَلَكَتْ أَيْمَٰنُهُمْ فَإِنَّهُمْ غَيْرُ مَلُومِينَ ۝۳۰

En die geen gemeenschap hebben met andere vrouwen dan met de hunne, of de slavinnen, die door hunne rechterhanden worden bezeten; want zij zijn zonder blaam.

فَمَنِ ٱبْتَغَىٰ وَرَآءَ ذَٰلِكَ فَأُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلْعَادُونَ ۝۳١

Maar zij, die gemeenschap met andere vrouwen buiten deze hebben, zijn zondaren.

وَٱلَّذِينَ هُمْ لِأَمَٰنَٰتِهِمْ وَعَهْدِهِمْ رَٰعُونَ ۝۳٢

Zij, die wat hun werd toevertrouwd en hun verbond getrouw bewaren.

وَٱلَّذِينَ هُم بِشَهَٰدَٰتِهِمْ قَآئِمُونَ ۝۳۳

Die onwrikbaar in hunne verklaringen zijn.

وَٱلَّذِينَ هُمْ عَلَىٰ صَلَاتِهِمْ يُحَافِظُونَ ۝۳٤

En die de vereischte voorschriften bij hunne gebeden nauwkeurig in acht nemen.

أُو۟لَٰٓئِكَ فِى جَنَّٰتٍۢ مُّكْرَمُونَ ۝۳٥

Deze zullen hooggeëerd zijn, en te midden van tuinen wonen.

فَمَالِ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ قِبَلَكَ مُهْطِعِينَ ۝۳٦

Wat scheelt de ongeloovigen, dat zij voor u uitgaan

عَنِ ٱلْيَمِينِ وَعَنِ ٱلشِّمَالِ عِزِينَ ۝۳۷

In scharen ter rechter- en ter linkerhand?

أَيَطْمَعُ كُلُّ ٱمْرِئٍۢ مِّنْهُمْ أَن يُدْخَلَ جَنَّةَ نَعِيمٍۢ ۝۳۸

Wenscht een hunner den tuin des genots binnen te gaan?

كَلَّآ ۖ إِنَّا خَلَقْنَٰهُم مِّمَّا يَعْلَمُونَ ۝۳۹

Volstrekt niet.--Waarlijk, wij hebben hen geschapen, van datgene wat zij kennen.

فَلَآ أُقْسِمُ بِرَبِّ ٱلْمَشَٰرِقِ وَٱلْمَغَٰرِبِ إِنَّا لَقَٰدِرُونَ ۝٤۰

Ik zweer bij den Heer van het Oosten en het Westen, dat wij in staat zijn.

عَلَىٰٓ أَن نُّبَدِّلَ خَيْرًۭا مِّنْهُمْ وَمَا نَحْنُ بِمَسْبُوقِينَ ۝٤١

(Hen te verdelgen en) een beter volk voor hen in de plaats te stellen; en niemand kan het verhinderen, indien het ons behaagt dit te doen.

فَذَرْهُمْ يَخُوضُوا۟ وَيَلْعَبُوا۟ حَتَّىٰ يُلَٰقُوا۟ يَوْمَهُمُ ٱلَّذِى يُوعَدُونَ ۝٤٢

Daarom, laat hen in ijdele gesprekken waden, en in vermaken genot zoeken, tot zij den dag ontmoeten, waarmede zij bedreigd zijn.

يَوْمَ يَخْرُجُونَ مِنَ ٱلْأَجْدَاثِ سِرَاعًۭا كَأَنَّهُمْ إِلَىٰ نُصُبٍۢ يُوفِضُونَ ۝٤۳

Den dag waarop zij haastig uit hunne graven zullen voortkomen, als scharen, die zich naar hunne vanen spoeden.

خَٰشِعَةً أَبْصَٰرُهُمْ تَرْهَقُهُمْ ذِلَّةٌۭ ۚ ذَٰلِكَ ٱلْيَوْمُ ٱلَّذِى كَانُوا۟ يُوعَدُونَ ۝٤٤

Hunne blikken zullen nedergeslagen zijn, en schande zal hen volgen. Dit is de dag, waarmede zij bedreigd zijn geworden.