< السورة السابقة | فهرس السور | السورة التالية >



حدد حجم خط الآيات
()


بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ وَٱلذَّٰرِيَٰتِ ذَرْوًۭا ۝١

Bij de winden, die het stof verspreiden en verstrooien.

فَٱلْحَٰمِلَٰتِ وِقْرًۭا ۝٢

En bij de wolken, die een last van regen dragen;

فَٱلْجَٰرِيَٰتِ يُسْرًۭا ۝۳

Bij de schepen, die de zee snel doorklieven.

فَٱلْمُقَسِّمَٰتِ أَمْرًا ۝٤

En bij de engelen, die dingen uitdeelen, noodig voor het onderhoud van alle schepselen

إِنَّمَا تُوعَدُونَ لَصَادِقٌۭ ۝٥

Inderdaad, datgene waarmede gij bedreigd zijt, is zekerlijk waar,

وَإِنَّ ٱلدِّينَ لَوَٰقِعٌۭ ۝٦

En het laatste oordeel zal gewis komen.

وَٱلسَّمَآءِ ذَاتِ ٱلْحُبُكِ ۝۷

Bij den hemel met paden voorzien.

إِنَّكُمْ لَفِى قَوْلٍۢ مُّخْتَلِفٍۢ ۝۸

Gij verschilt zeer in hetgeen gij zegt.

يُؤْفَكُ عَنْهُ مَنْ أُفِكَ ۝۹

Men zal zich afwenden van dengeen, die van het ware geloof is afgekeerd!

قُتِلَ ٱلْخَرَّٰصُونَ ۝١۰

Vervloekt mogen de leugenaars zijn.

ٱلَّذِينَ هُمْ فِى غَمْرَةٍۢ سَاهُونَ ۝١١

Die in diepe wateren van onwetendheid waden, terwijl zij hun heil verwaarloozen.

يَسْـَٔلُونَ أَيَّانَ يَوْمُ ٱلدِّينِ ۝١٢

Zij vragen: Wanneer zal de dag des oordeels komen?

يَوْمَ هُمْ عَلَى ٱلنَّارِ يُفْتَنُونَ ۝١۳

Op dien dag zullen zij in het hellevuur verbrand worden.

ذُوقُوا۟ فِتْنَتَكُمْ هَٰذَا ٱلَّذِى كُنتُم بِهِۦ تَسْتَعْجِلُونَ ۝١٤

En men zal tot hen zeggen: Proeft uwe straf; dit is hetgeen gij verlangd hebt, dat verhaast zou worden.

إِنَّ ٱلْمُتَّقِينَ فِى جَنَّٰتٍۢ وَعُيُونٍ ۝١٥

Maar de vromen zullen tusschen tuinen en fonteinen wonen.

ءَاخِذِينَ مَآ ءَاتَىٰهُمْ رَبُّهُمْ ۚ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَبْلَ ذَٰلِكَ مُحْسِنِينَ ۝١٦

Datgene ontvangende, wat hun Heer hun zal geven, omdat zij vóór dezen dag rechtvaardigen waren.

كَانُوا۟ قَلِيلًۭا مِّنَ ٱلَّيْلِ مَا يَهْجَعُونَ ۝١۷

Zij slapen slechts gedurende een klein gedeelte van den nacht.

وَبِٱلْأَسْحَارِ هُمْ يَسْتَغْفِرُونَ ۝١۸

En vroeg in den ochtend vragen zij vergiffenis van God.

وَفِىٓ أَمْوَٰلِهِمْ حَقٌّۭ لِّلسَّآئِلِ وَٱلْمَحْرُومِ ۝١۹

Een voegzaam deel van hunne welvaart werd hem gegeven, die vroeg, en aan hem, die door schaamte teruggehouden werd te vragen.

وَفِى ٱلْأَرْضِ ءَايَٰتٌۭ لِّلْمُوقِنِينَ ۝٢۰

Er zijn teekenen van goddelijke macht en goedheid op de aarde, voor de menschen van goed begrip.

وَفِىٓ أَنفُسِكُمْ ۚ أَفَلَا تُبْصِرُونَ ۝٢١

Ook in u zelven: zult gij dus niet overwegen?

وَفِى ٱلسَّمَآءِ رِزْقُكُمْ وَمَا تُوعَدُونَ ۝٢٢

Uw onderhoud is in den hemel; en evenzeer bevat hij datgene, wat u werd beloofd.

فَوَرَبِّ ٱلسَّمَآءِ وَٱلْأَرْضِ إِنَّهُۥ لَحَقٌّۭ مِّثْلَ مَآ أَنَّكُمْ تَنطِقُونَ ۝٢۳

Daarom zweer ik bij den Heer van hemel en aarde, dat dit zekerlijk de waarheid is; overeenkomstig datgene, wat gij zelf zegt.

هَلْ أَتَىٰكَ حَدِيثُ ضَيْفِ إِبْرَٰهِيمَ ٱلْمُكْرَمِينَ ۝٢٤

Is de geschiedenis van Abraham's geachte gasten niet tot uwe kennis gekomen?

إِذْ دَخَلُوا۟ عَلَيْهِ فَقَالُوا۟ سَلَٰمًۭا ۖ قَالَ سَلَٰمٌۭ قَوْمٌۭ مُّنكَرُونَ ۝٢٥

Toen zij tot hem ingingen en zeiden: Vrede? antwoordde hij: Vrede! bij zich zelven zeggende: Dit zijn onbekende menschen.

فَرَاغَ إِلَىٰٓ أَهْلِهِۦ فَجَآءَ بِعِجْلٍۢ سَمِينٍۢ ۝٢٦

En hij ging heimelijk tot zijn gezin, en bracht een gemest kalf.

فَقَرَّبَهُۥٓ إِلَيْهِمْ قَالَ أَلَا تَأْكُلُونَ ۝٢۷

Hij zette het voor hen neder, en toen hij zag, dat zij het niet aanraakten, zeide hij: Eet gij niet?

فَأَوْجَسَ مِنْهُمْ خِيفَةًۭ ۖ قَالُوا۟ لَا تَخَفْ ۖ وَبَشَّرُوهُ بِغُلَٰمٍ عَلِيمٍۢ ۝٢۸

En hij begon vrees voor hen te koesteren. Zij zeiden: Vrees niet, en zij verklaarden hem de belofte van een wijzen zoon.

فَأَقْبَلَتِ ٱمْرَأَتُهُۥ فِى صَرَّةٍۢ فَصَكَّتْ وَجْهَهَا وَقَالَتْ عَجُوزٌ عَقِيمٌۭ ۝٢۹

Zijne vrouw kwam nader; zij gaf een gil, sloeg zich in het aangezicht, en zeide ik ben een oude vrouw en onvruchtbaar!

قَالُوا۟ كَذَٰلِكِ قَالَ رَبُّكِ ۖ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلْحَكِيمُ ٱلْعَلِيمُ ۝۳۰

De engelen zeiden: Dit zeide uw Heer; en waarlijk, hij is de Wijze, de Alwetende.

۞ قَالَ فَمَا خَطْبُكُمْ أَيُّهَا ٱلْمُرْسَلُونَ ۝۳١

En Abraham zeide tot hen: wat is dus uwe boodschap, o gezanten van God?

قَالُوٓا۟ إِنَّآ أُرْسِلْنَآ إِلَىٰ قَوْمٍۢ مُّجْرِمِينَ ۝۳٢

Zij antwoordden: waarlijk, wij worden tot een zondig volk gezonden.

لِنُرْسِلَ عَلَيْهِمْ حِجَارَةًۭ مِّن طِينٍۢ ۝۳۳

Opdat wij steenen van gebakken klei op hen zouden nederzenden.

مُّسَوَّمَةً عِندَ رَبِّكَ لِلْمُسْرِفِينَ ۝۳٤

Gemerkt door uwen Heer, ter verdelging der zondaren.

فَأَخْرَجْنَا مَن كَانَ فِيهَا مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ ۝۳٥

En wij telden de ware geloovigen, die in de stad waren.

فَمَا وَجَدْنَا فِيهَا غَيْرَ بَيْتٍۢ مِّنَ ٱلْمُسْلِمِينَ ۝۳٦

Maar wij vonden niet meer, dan één gezin van Moslems.

وَتَرَكْنَا فِيهَآ ءَايَةًۭ لِّلَّذِينَ يَخَافُونَ ٱلْعَذَابَ ٱلْأَلِيمَ ۝۳۷

Wij verwoesten hen, en lieten een teeken aldaar, voor hen, die de ernstige kastijding van God vreezen.

وَفِى مُوسَىٰٓ إِذْ أَرْسَلْنَٰهُ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ بِسُلْطَٰنٍۢ مُّبِينٍۢ ۝۳۸

In Mozes was mede een teeken, toen Hij hem met duidelijke macht tot Pharao zond.

فَتَوَلَّىٰ بِرُكْنِهِۦ وَقَالَ سَٰحِرٌ أَوْ مَجْنُونٌۭ ۝۳۹

Maar deze wendde zich met zijne vorsten af, zeggende: Deze man is een toovenaar of een bezetene.

فَأَخَذْنَٰهُ وَجُنُودَهُۥ فَنَبَذْنَٰهُمْ فِى ٱلْيَمِّ وَهُوَ مُلِيمٌۭ ۝٤۰

Daarom grepen wij hem en zijne soldaten en wierpen hen in de zee: en hij was waard gestrafd te worden.

وَفِى عَادٍ إِذْ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمُ ٱلرِّيحَ ٱلْعَقِيمَ ۝٤١

En in den stam van Ad was mede een teeken, toen wij een verwoestenden wind tegen hen zonden.

مَا تَذَرُ مِن شَىْءٍ أَتَتْ عَلَيْهِ إِلَّا جَعَلَتْهُ كَٱلرَّمِيمِ ۝٤٢

Die niets aanraakte, waar hij nederkwam, of hij verwoeste het, als een verrot voorwerp, en maakte het tot stof.

وَفِى ثَمُودَ إِذْ قِيلَ لَهُمْ تَمَتَّعُوا۟ حَتَّىٰ حِينٍۢ ۝٤۳

In Thamoed was eveneens een teeken toen er tot hem werd gezegd: Geniet alles gedurende eenigen tijd.

فَعَتَوْا۟ عَنْ أَمْرِ رَبِّهِمْ فَأَخَذَتْهُمُ ٱلصَّٰعِقَةُ وَهُمْ يَنظُرُونَ ۝٤٤

Maar zij schonden onbeschaamd het bevel van hunnen Heer, waardoor hen een vreeselijk onweder van den hemel overviel, terwijl zij daarheen blikten.

فَمَا ٱسْتَطَٰعُوا۟ مِن قِيَامٍۢ وَمَا كَانُوا۟ مُنتَصِرِينَ ۝٤٥

Zij waren niet in staat op hunne voeten te staan, evenmin als zij zich van de verdediging konden redden.

وَقَوْمَ نُوحٍۢ مِّن قَبْلُ ۖ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَوْمًۭا فَٰسِقِينَ ۝٤٦

En het volk van Noach verdelgden wij voor dezen; want het was een volk, dat vreeselijk zondigde.

وَٱلسَّمَآءَ بَنَيْنَٰهَا بِأَيْي۟دٍۢ وَإِنَّا لَمُوسِعُونَ ۝٤۷

Wij hebben den hemel met macht gebouwd, en dien eene groote uitgebreidheid gegeven.

وَٱلْأَرْضَ فَرَشْنَٰهَا فَنِعْمَ ٱلْمَٰهِدُونَ ۝٤۸

Wij hebben de aarde daaronder uitgebreid, en hoe gelijkmatig hebben wij dit gedaan.

وَمِن كُلِّ شَىْءٍ خَلَقْنَا زَوْجَيْنِ لَعَلَّكُمْ تَذَكَّرُونَ ۝٤۹

En van alle dingen hebben wij twee soorten geschapen, opdat gij wellicht zoudt overwegen.

فَفِرُّوٓا۟ إِلَى ٱللَّهِ ۖ إِنِّى لَكُم مِّنْهُ نَذِيرٌۭ مُّبِينٌۭ ۝٥۰

Vlucht dus tot God; waarlijk, ik ben een openlijk waarschuwer van Hem onder u.

وَلَا تَجْعَلُوا۟ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ ۖ إِنِّى لَكُم مِّنْهُ نَذِيرٌۭ مُّبِينٌۭ ۝٥١

Aanbidt geene andere goden behalve uwen Heer. Ik bericht u dit duidelijk uit zijn naam

كَذَٰلِكَ مَآ أَتَى ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِم مِّن رَّسُولٍ إِلَّا قَالُوا۟ سَاحِرٌ أَوْ مَجْنُونٌ ۝٥٢

Op dezelfde wijze kwam er geen gezant tot hunne voorgangers of zij zeiden: Deze man is een toovenaar of een bezetene.

أَتَوَاصَوْا۟ بِهِۦ ۚ بَلْ هُمْ قَوْمٌۭ طَاغُونَ ۝٥۳

Hebben zij dit gedrag achtervolgens elkander als erfdeel vermaakt? Ja; zij zondigen vreeselijk.

فَتَوَلَّ عَنْهُمْ فَمَآ أَنتَ بِمَلُومٍۢ ۝٥٤

Houdt u dus van hen af, en gij zult vrij van blaam zijn, indien gij aldus handelt.

وَذَكِّرْ فَإِنَّ ٱلذِّكْرَىٰ تَنفَعُ ٱلْمُؤْمِنِينَ ۝٥٥

Maar ga voort met vermanen; want vermaning is den waren geloovigen van voordeel.

وَمَا خَلَقْتُ ٱلْجِنَّ وَٱلْإِنسَ إِلَّا لِيَعْبُدُونِ ۝٥٦

Ik heb de geniussen en menschen met geen ander doel geschapen, dan opdat zij mij zouden dienen.

مَآ أُرِيدُ مِنْهُم مِّن رِّزْقٍۢ وَمَآ أُرِيدُ أَن يُطْعِمُونِ ۝٥۷

Ik eisch geenerlei onderhoud van hen; evenmin verlang ik, dat zij mij zullen voeden.

إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلرَّزَّاقُ ذُو ٱلْقُوَّةِ ٱلْمَتِينُ ۝٥۸

Waarlijk, God is degene, die alle schepselen voorziet, en die een aanzienlijke macht bezit.

فَإِنَّ لِلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ ذَنُوبًۭا مِّثْلَ ذَنُوبِ أَصْحَٰبِهِمْ فَلَا يَسْتَعْجِلُونِ ۝٥۹

Aan hen die onzen gezant beleedigden, zal een deel gegeven worden, gelijk aan het deel van hen, die zich in vroegere tijden, evenals zij hebben gedragen; en zij zullen niet wenschen, dat dit verhaast worde.

فَوَيْلٌۭ لِّلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِن يَوْمِهِمُ ٱلَّذِى يُوعَدُونَ ۝٦۰

Wee dus over de ongeloovigen, om hunnen dag, waarmede zij zijn bedreigd!